Kunst en psychiatrie
Of: hoe flarden geschiedenis behulpzaam kunnen zijn bij de diagnose van een tentoonstelling
Door: Els Hoek, kunsthistoricus

Ooit gehoord van Sainte-Anne Hôpital? Het is een psychiatrische inrichting in Parijs waar in de jaren net na de Tweede Wereldoorlog tentoonstellingen werden gehouden van werk dat tot dan toe vooral bekend stond als l'art des fous, kunst van dwazen. Door de tentoonstellingen echter begon deze art des fous een serieuze rol te spelen in de discussie over moderne kunst. Op de eerste tentoonstelling, die in april 1946 openging, waren meer dan tweehonderd werken te zien van psychiatrische patiënten uit verschillende Franse klinieken; de tweede toonde maar liefs tien keer zo veel stukken. Maar dat was dan ook de Internationale Tentoonstelling van Psychopathologische Kunst, tegelijk georganiseerd met het eerste Internationale Psychiatriecongres, najaar 1950. Het publiek kwam op beide tentoonstellingen in groten getale af; beide gingen vergezeld van een catalogus met een inleiding van de bekende kunstcriticus Waldemar George en werden bezocht door talloze kunstenaars van de artistieke avant-garde. Karel Appel, die in 1950 juist Parijs ontdekte, bezocht de internationale tentoonstelling zelfs twee keer. Hij was zo ontdaan door wat hij zag, dat hij in de catalogus begon te tekenen en deze geleidelijk aan bevolkte met katten, vogels, kinderen en allerlei monsters van zijn eigen hand. Zo maakte Appel een veelzeggend document over de relatie tussen kunst en psychiatrie.

Het is wel begrijpelijk dat Waldemar George in zijn inleiding van 1946 vooral in de verdediging ging. Immers, de in het naoorlogse Frankrijk heersende opvatting over moderne kunst, was extreemrechts en nazistisch in oorsprong. Abstracte kunst was 'entartet'; Picasso was 'un talent fou' en Braque schilderde als een 'dwaas uit een gesticht'. Kortom: modern = gek. De criticus moest deze opvatting wel pareren: "Genie en dwaasheid! Wie ziet er nou een overeenkomst tussen deze werken van geesteszieken en de sublieme afwijkingen van vermaarde kunstenaars?" Vier jaar later, in de catalogus van 1950, achtte George de discussie echter voldoende genuanceerd om te durven schrijven dat er "zonder twijfel parallellen aanwijsbaar zijn tussen het werk van patiënten en de kunst van twintigste eeuwse schilders - expressionisten, surrealisten en sommige puur abstracte schilders."

verder: link
      terug