De Sint Willibrordus Stichting: een historische schets
Tot in de negentiende eeuw werden gestoorden over het algemeen beschouwd als gevaarlijke mensen die moesten worden opgesloten of als curiositeit konden werden tentoongesteld. In de negentiende eeuw vond een omslag plaats: krankzinnigheid werd in toenemende mate opgevat als een ziekte. Dit leidde in Nederland tot de totstandkoming van de Krankzinnigenwet van 1841 die onder meer de provinciale overheden verantwoordelijk stelde voor voldoende inrichtingsplaatsen in hun provincies. In Noord-Holland leidde dit tot de oprichting van Meerenberg (bij Santpoort, 1849), Duin en Bosch (Castricum, 1909) en het Rijksgesticht in Medemblik. In 1928 werd Vogelenzang opgericht ten behoeve van Noord-Hollandse patiënten van Protestantse Huize.
In 1928 werd de eerste aanzet gegeven tot de Willibrordus Stichting door de katholieke broeders van de Congregatie van Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, die een psychiatrische inrichting voor mannen opzetten. De verpleging van met name geesteszieken had een voorname plaats in de Congregatie. Men had daarom de wens tot oprichting van een eigen instituut. Dat juist in Heiloo dit ideaal verwezenlijkt werd, was een kwestie van toeval. Op vele plaatsen in het land werd zonder succes naar een geschikte locatie gezocht, totdat door bemiddeling het voormalige landgoed Ypestein kon worden gekocht. Het enthousiasme was groot: het lag langs de verkeersweg en niet zoals voorheen gebruikelijk, weggestopt ver van de bewoonde wereld.
De inwoners van Heiloo waren niet onverdeeld gelukkig met de komst van wat in de volksmond werd genoemd 'een gekkenhuis'. Vooral het psychopaten-asiel werd zeer negatief ontvangen. In de Alkmaarsche Courant stond: "Men is bang dat het Heilooërbos zal veranderen in een wandelplaats voor gevaarlijke gekken." Ook het gemeentebestuur moest enige bedenkingen overwinnen. Men profileerde zich graag als een aan natuurschoon rijk dorp, plezierig voor zomerverblijf en als forensengemeente. Na lange aarzeling, mede onder druk van het ministerie, ging men akkoord en verleende in juni 1928 de bouwvergunning. Anderen hoopten wat te verdienen: toen de eerste broeders kwamen, maakten de leveranciers hun opwachting.
Tussen 1928 en 1940 is de inrichting van het Willibrordus-terrein fasegewijs uitgevoerd naar het ontwerp van de Haagse architecten H.J.W. Thunnissen en J.H. Hendriks in een aan de Delftse school verwante traditionalistische vormgeving. De hoofdopzet was kenmerkend voor de jaren '30 en bestond uit een paviljoensysteem, waarbij patiënten naar ziektecategorie werden ondergebracht. De plaats, de ligging en de verbinding tussen de gebouwen was essentieel, evenals de ligging van de wegen en de stand ten opzichte van de zon. De gebouwen moesten vriendelijk ogen en hygiënisch zijn. Een duidelijke structuur was noodzakelijk maar een volledige symmetrie, de rechthoekige grondvorm als het idee van wiskundige volmaaktheid, vond men te mathematisch en te star. De belangrijkste gebouwen zijn de voorgevel (paviljoens Aloysius en Glorieux), de kapel met forse koepel achter het hoofdgebouw en de paviljoens Paulus en Cornelius (alle rijksmonument). Het belang van een architectuur in harmonie met de omgeving en het interieur leidde tot een nauwe samenwerking met tuinarchitect K. van Nes en met interieur-architecte Falkenberg-Liefrink. Het beeldhouwwerk van Biesiot en de gevelornamenten versterken de samenhang en de herkenbaarheid van de gebouwen.
verder: link
|